Mosflora rondom Bijenorchis AWD
Geplaatst: di mar 02, 2010 4:15 pm
Dag Jos,
ik heb er even een apart topic van gemaakt. Ik heb een oud studiegenoot (die in de mossen zit) gevraagd hoe de standplaats het best te karakteriseren is. Zoals je misschien wel weet kun je de abiotiek van een vegetatie op verschillende manieren bepalen. Één manier is door gebruik te maken van de Ellenberg indicatiewaarden. Dit zijn geen exacte waarden, maar geven vaak een heel goede indicatie. Voor mossen blijkt er ook iets dergelijks te bestaan. Mijn oud studiegenoot zette wel vraagtekens bij het voorkomen van Gedrongen kantmos. Deze komt met name voor op schors en hout en slechts zelden op substraat? Integenstelling tot Gewoon kantmos.
Wanneer ik de door jou en Dhr Mourik aangetroffen mossen analyseer kom ik tot het volgende:
Rond boogsterrenmos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 1
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 5
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 4
Gewoon dikkopmos
Biotoop: 15
Substraatindicatie: x
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 4
Zuurgraad: x
Nutriëntenrijkdom: 8
Temperatuur: x
Gedrongen kantmos
n.b.
Gewoon haakmos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 13
Vocht: 6
Stralingsklimaat: 6
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 3
Gewoon klauwtjesmos
Biotoop: 15
Substraatindicatie: x
Vocht: 4
Stralingsklimaat: x
Zuurgraad: x
Nutriëntenrijkdom: 3
Temperatuur: x
Groot laddermos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 13
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 5
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 4
Samengevat*
Biotoop: 13:3, 15:2
Substraatindicatie: 1:1, x:2, 13:2
Vocht: 5:3, 6:1, 4:1
Stralingsklimaat: 5:2, 4:1, 6:1, x:1
Zuurgraad: 5:3, x:2
Nutriëntenrijkdom: 5:3, 3:1, 8:1
Temperatuur: 4:2, 3:1, x:2
*Uitleg codes:
eerste positie betreft de Ellenberg indicatiewaarde
tweede positie betreft het aantal dat de desbetreffende Ellenberg indicatiewaarde voorkomt
Omschrijving standplaats op basis van Ellenberg
De groeiplaats kan op basis van de indicatiewaarden als volgt worden omschreven: Biotoop vertoond overeenkomsten met bosbodems, waarbij het substraat lijkt te bestaat uit een vrij grove strooisellaag en als (matig) droog tot (matig) vochtig is te karakteriseren waarbij er nauwelijks sprake is van directe zonnestraling en meer van indirecte straling (en licht beschaduwd) en is zwak zuur, matig voedselrijk tot plaatselijk voedselrijk en vrij koel.
Resultaten
Uit de indicatiewaarden komt naar voren dat:
1. de standplaat verruigd of aan het verruigen is
2. te weinig zon krijgt, teveel schaduw (koel karakter)
3. zwak zuur is en vrij vochtig (lokaal)
Waarbij het een het ander niet uitsluit en er waarschijnlijk een 'oorzaak-gevolg' relatie is.
Conclusies
Interpretatie van de gegevens lijken m.i. te wijzen op verruiging. Wat de oorzaak hiervan is kan ik niet beoordelen op deze wijze. Een oorzaak zou kunnen zijn: N-depositie die leidt tot vermesting van de groeiplaats waardoor (hoge) grassen en grotere kruiden (zoomgemeenschappen) de overhand krijgen. Of de geringe zonuren hier een gevolg van zijn weet ik niet. Mogelijk was de groeiplaats altijd al licht beschaduwd. Let b.v. eens op bomen/struiken in de nabije omgeving. Deze bomen en struiken kunnen mogelijk geleidt hebben tot een verandering van de strooisellaag (bladafval). De indicatiewaarden lijken te wijzen in deze richting (bosbodem). Terwijl kenmerkend voor duingebieden is dat er weinig humusvorming heeft opgetreden, wat leidt tot een buffering van de zuurgraad etc. Bladafval leidt in iedergeval tot verzuring doordat bacteriën bladafval omzetten. Daarnaast is het vreemd dat de indicatiewaardes wijzen op een vochtig karakter. Iets wat jezelf ook al vermoedde. Hierbij versterkt het een het ander. B.v. meer humusvorming in de vorm van een grovere strooisellaag houdt meer vocht vast. Daarnaast moet je je afvragen of de groeiplaats niet gewoon onderhevig is aan (natuurlijke) successie. In iedergeval op basis van de indicatiewaarden lijkt m.i. de groeiplaats weinig geschikt voor Bijenorchis. Je zult doormiddel van beheersmaatregelen de negatieve invloeden moeten opheven. B.v. de strooisellaag en beschaduwing. In The Bee Orchids of Europe wordt gesuggereerd dat Ophrys met gemak in onze regionen in tuinen uitgeplant kunnen worden mits er een goede afwatering plaatsvindt tijdens neerslag overschotten.
Kanttekeningen indicatiewaarden
Ik dien er wel bij te vermelden dat er haken en ogen zijn aan het gebruiken van indicatiewaarden. Zoals de naam suggereert betreffen het slechts indicaties. Daarnaast heb ik geen zicht op:
- is er voor de opname van mossoorten een proefvlak gebruikt?
- was deze representatief?
- indien ja hoe groot was deze?
- er wordt niks vermeldt over de bedekking van aangetroffen soorten
Vooral het laatste is erg belangrijk. Bij alle bovenstaande conclusies etc. ben ik er voor het gemaak vanuit gegaan dat alle aangetroffen mossoorten een even grote bedekking hadden. Als bijvoorbeeld blijkt dat een proefvlak voor 90% bestaat uit Gewoon dikkopmos dan mag het duidelijk zijn dat er niet sprak is van een matig voedselrijke maar voedselrijke groeiplaats, en dat geldt voor alle indicaties.
In iedergeval succes verder met je onderzoek
M.v.gr. Mark
Legenda codes
Biotoop:
13 Bosbodem
15 Geen duidelijke voorkeur
Substraatindicatie:
1 op allerlei bodems zonder duidelijke voorkeur
13 op grof strooisel
x substraatindifferent
Vocht:
5 matig vochtig; Kenmerkend voor matig vochtige standplaatsen
6 Tussen 5 en 7 in staand
4 Tussen 3 en 5 in staand
werden niet aangetroffen maar voor de volledigheid:
3 droog; Op droge standplaatsen vaker voorkomend dan op minder droge; op vochtige standplaatsen ontbrekend
7 vochtig; Kenmerkend voor vochtige standplaatsen; zwaartepunt op vochtige, maar niet te natte standplaatsen
Stralingsklimaat:
5 bijvoorkeur open schaduw, weinig directe zonnestraling, vrij veel indirecte straling en op noordhellingen, noordranden
4 bijvoorkeur lichte schaduw, weinig directe zonnestraling, vrij weinig indirecte straling en op kleine open plekken in bos
6 vrij weinig directe zonnestraling, vrij veel indirecte straling,
x indifferent en geen duidelijk voorkeur
Zuurgraad:
5 zwak zuur; kenmerkend voor zwak zure standplaatsen; zelden op sterk zure en op neutrale tot alkalische standplaatsen
x indifferent en geen duidelijke voorkeur
Nutriëntenrijkdom:
5 matig nutriëntenrijk; Kenmerkend voor matig nutriëntenrijke omstandigheden; zeldzamer bij nutriëntenarme of nutriëntenrijke omstandigheden
3 nutriëntenarm Kenmerkend voor nutriëntenarme omstandigheden; onder nutriëntenarme omstandigheden vaker dan onder matig nutriëntenrijke
8 Uitgesproken kenmerkend voor nutriëntenrijke omstandigheden
Temperatuur:
4 klimaatzone: gematigd boreaal, hoogtezone: montaan (rel. koel dus)
3 bijvoorkeur: koel, klimaatzone: boreaal, hoogtezone: hoogmontaan
x indifferent geen duidelijke voorkeur
ik heb er even een apart topic van gemaakt. Ik heb een oud studiegenoot (die in de mossen zit) gevraagd hoe de standplaats het best te karakteriseren is. Zoals je misschien wel weet kun je de abiotiek van een vegetatie op verschillende manieren bepalen. Één manier is door gebruik te maken van de Ellenberg indicatiewaarden. Dit zijn geen exacte waarden, maar geven vaak een heel goede indicatie. Voor mossen blijkt er ook iets dergelijks te bestaan. Mijn oud studiegenoot zette wel vraagtekens bij het voorkomen van Gedrongen kantmos. Deze komt met name voor op schors en hout en slechts zelden op substraat? Integenstelling tot Gewoon kantmos.
Wanneer ik de door jou en Dhr Mourik aangetroffen mossen analyseer kom ik tot het volgende:
Rond boogsterrenmos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 1
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 5
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 4
Gewoon dikkopmos
Biotoop: 15
Substraatindicatie: x
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 4
Zuurgraad: x
Nutriëntenrijkdom: 8
Temperatuur: x
Gedrongen kantmos
n.b.
Gewoon haakmos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 13
Vocht: 6
Stralingsklimaat: 6
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 3
Gewoon klauwtjesmos
Biotoop: 15
Substraatindicatie: x
Vocht: 4
Stralingsklimaat: x
Zuurgraad: x
Nutriëntenrijkdom: 3
Temperatuur: x
Groot laddermos
Biotoop: 13
Substraatindicatie: 13
Vocht: 5
Stralingsklimaat: 5
Zuurgraad: 5
Nutriëntenrijkdom: 5
Temperatuur: 4
Samengevat*
Biotoop: 13:3, 15:2
Substraatindicatie: 1:1, x:2, 13:2
Vocht: 5:3, 6:1, 4:1
Stralingsklimaat: 5:2, 4:1, 6:1, x:1
Zuurgraad: 5:3, x:2
Nutriëntenrijkdom: 5:3, 3:1, 8:1
Temperatuur: 4:2, 3:1, x:2
*Uitleg codes:
eerste positie betreft de Ellenberg indicatiewaarde
tweede positie betreft het aantal dat de desbetreffende Ellenberg indicatiewaarde voorkomt
Omschrijving standplaats op basis van Ellenberg
De groeiplaats kan op basis van de indicatiewaarden als volgt worden omschreven: Biotoop vertoond overeenkomsten met bosbodems, waarbij het substraat lijkt te bestaat uit een vrij grove strooisellaag en als (matig) droog tot (matig) vochtig is te karakteriseren waarbij er nauwelijks sprake is van directe zonnestraling en meer van indirecte straling (en licht beschaduwd) en is zwak zuur, matig voedselrijk tot plaatselijk voedselrijk en vrij koel.
Resultaten
Uit de indicatiewaarden komt naar voren dat:
1. de standplaat verruigd of aan het verruigen is
2. te weinig zon krijgt, teveel schaduw (koel karakter)
3. zwak zuur is en vrij vochtig (lokaal)
Waarbij het een het ander niet uitsluit en er waarschijnlijk een 'oorzaak-gevolg' relatie is.
Conclusies
Interpretatie van de gegevens lijken m.i. te wijzen op verruiging. Wat de oorzaak hiervan is kan ik niet beoordelen op deze wijze. Een oorzaak zou kunnen zijn: N-depositie die leidt tot vermesting van de groeiplaats waardoor (hoge) grassen en grotere kruiden (zoomgemeenschappen) de overhand krijgen. Of de geringe zonuren hier een gevolg van zijn weet ik niet. Mogelijk was de groeiplaats altijd al licht beschaduwd. Let b.v. eens op bomen/struiken in de nabije omgeving. Deze bomen en struiken kunnen mogelijk geleidt hebben tot een verandering van de strooisellaag (bladafval). De indicatiewaarden lijken te wijzen in deze richting (bosbodem). Terwijl kenmerkend voor duingebieden is dat er weinig humusvorming heeft opgetreden, wat leidt tot een buffering van de zuurgraad etc. Bladafval leidt in iedergeval tot verzuring doordat bacteriën bladafval omzetten. Daarnaast is het vreemd dat de indicatiewaardes wijzen op een vochtig karakter. Iets wat jezelf ook al vermoedde. Hierbij versterkt het een het ander. B.v. meer humusvorming in de vorm van een grovere strooisellaag houdt meer vocht vast. Daarnaast moet je je afvragen of de groeiplaats niet gewoon onderhevig is aan (natuurlijke) successie. In iedergeval op basis van de indicatiewaarden lijkt m.i. de groeiplaats weinig geschikt voor Bijenorchis. Je zult doormiddel van beheersmaatregelen de negatieve invloeden moeten opheven. B.v. de strooisellaag en beschaduwing. In The Bee Orchids of Europe wordt gesuggereerd dat Ophrys met gemak in onze regionen in tuinen uitgeplant kunnen worden mits er een goede afwatering plaatsvindt tijdens neerslag overschotten.
Kanttekeningen indicatiewaarden
Ik dien er wel bij te vermelden dat er haken en ogen zijn aan het gebruiken van indicatiewaarden. Zoals de naam suggereert betreffen het slechts indicaties. Daarnaast heb ik geen zicht op:
- is er voor de opname van mossoorten een proefvlak gebruikt?
- was deze representatief?
- indien ja hoe groot was deze?
- er wordt niks vermeldt over de bedekking van aangetroffen soorten
Vooral het laatste is erg belangrijk. Bij alle bovenstaande conclusies etc. ben ik er voor het gemaak vanuit gegaan dat alle aangetroffen mossoorten een even grote bedekking hadden. Als bijvoorbeeld blijkt dat een proefvlak voor 90% bestaat uit Gewoon dikkopmos dan mag het duidelijk zijn dat er niet sprak is van een matig voedselrijke maar voedselrijke groeiplaats, en dat geldt voor alle indicaties.
In iedergeval succes verder met je onderzoek
M.v.gr. Mark
Legenda codes
Biotoop:
13 Bosbodem
15 Geen duidelijke voorkeur
Substraatindicatie:
1 op allerlei bodems zonder duidelijke voorkeur
13 op grof strooisel
x substraatindifferent
Vocht:
5 matig vochtig; Kenmerkend voor matig vochtige standplaatsen
6 Tussen 5 en 7 in staand
4 Tussen 3 en 5 in staand
werden niet aangetroffen maar voor de volledigheid:
3 droog; Op droge standplaatsen vaker voorkomend dan op minder droge; op vochtige standplaatsen ontbrekend
7 vochtig; Kenmerkend voor vochtige standplaatsen; zwaartepunt op vochtige, maar niet te natte standplaatsen
Stralingsklimaat:
5 bijvoorkeur open schaduw, weinig directe zonnestraling, vrij veel indirecte straling en op noordhellingen, noordranden
4 bijvoorkeur lichte schaduw, weinig directe zonnestraling, vrij weinig indirecte straling en op kleine open plekken in bos
6 vrij weinig directe zonnestraling, vrij veel indirecte straling,
x indifferent en geen duidelijk voorkeur
Zuurgraad:
5 zwak zuur; kenmerkend voor zwak zure standplaatsen; zelden op sterk zure en op neutrale tot alkalische standplaatsen
x indifferent en geen duidelijke voorkeur
Nutriëntenrijkdom:
5 matig nutriëntenrijk; Kenmerkend voor matig nutriëntenrijke omstandigheden; zeldzamer bij nutriëntenarme of nutriëntenrijke omstandigheden
3 nutriëntenarm Kenmerkend voor nutriëntenarme omstandigheden; onder nutriëntenarme omstandigheden vaker dan onder matig nutriëntenrijke
8 Uitgesproken kenmerkend voor nutriëntenrijke omstandigheden
Temperatuur:
4 klimaatzone: gematigd boreaal, hoogtezone: montaan (rel. koel dus)
3 bijvoorkeur: koel, klimaatzone: boreaal, hoogtezone: hoogmontaan
x indifferent geen duidelijke voorkeur