Naamgeving orchideeën; poging tot discussie
Geplaatst: di jul 26, 2011 4:01 pm
Zoals iedereen misschien weet is er veel te doen omtrent naamgeving bij orchideeën. Sommige taxonomie is onderbouwt met enkel morfologie andere met morfometrie en fylogenie etc. We zullen ons in de discussie beperken tot de morfologie omdat geen van ons allen inzicht heeft in de fylogenie e.d..
Wat mij altijd opvalt is dat er alleen gekeken wordt naar de verschillen. Een redenatie waar bij men snel fouten maakt in mijn opinie. Het principe wat hierin wordt toegepast is differentiatie. Oftewel het onderscheiden van een entiteit t.o.v. een homogeen geheel. De vraag is? Is er wel een homogeen geheel? En wat is een homogeen geheel? Om zelf antwoord te geven, een genus is valt m.i. onder een relatief homogeen geheel. Wanneer je kijkt naar de overeenkomsten tussen verschillende Dactylorhiza-taxa dan is het overduidelijk dat ze allen behoorlijk homogeen zijn. D.w.z. vingervormige wortelknol, bractee-achtige stengelbladen, life-history-traits, etc. Wanneer je dan naar Coeloglossum kijkt dan is lijkt deze morfologisch niet eens te verschillen van het genus Dactylorhiza (ja ik weet dat er andere inzichten zijn alsmede wetenschappelijk artikel zoals Bateman en Devos etc.).
Hoe homogeen zijn soorten? Wanneer je differentiërende kenmerken laat varen, en enkel kijkt naar kenmerkende eigenschappen welke taxa blijven er over? Probeer het eens uit, beschrijf een taxon als D. incarnata en vermijdt kenmerken als groter dan..., bredere bladen als...kortom gewoon feitelijk opschrijven wat je ziet. Bekijk vervolgens of deze beschrijvingen op elkaar lijken. Je zult zien dat de taxa gewoon stand houden.
Wanneer je vervolgens een stapje lager gaat (ondersoortniveau - variëteit) en hetzelfde toepast wordt het lastiger. Vergelijk populaties met 'witte' D. pulchella's uit New Forest eens met D. majalis (sphagnicola) subsp. calcifugensis, en zie de gelijkenis. Pas het vooraal eens toe op alle fuciflora of holoserica ondersoorten en zie de gelijkenissen. In hoeverre lijkt Ophrys (tenthredinifera subsp.) vilosa dan ineens op O. tenthredinifera? En O. (tenthredinifera subp.) aprilia op beiden? Binnen de groep van het voorbeeld zijn er nog veel meer. O. grandiflora, O ficalhoana etc. Gelijkenissen als Neotinea ustulata en Neotinea tridentata, N. lactea, N. maculata zijn dan ineens evident
Ik hoor nu de stemmen al: ja maar.......evolutie, andere bestuiver(s), duidelijk gescheiden populatie(s). Vooral het laatste argument wordt vaak gebruikt, én als legitiem beschouwd.
Ander voorbeeld. Epipactis helleborine, wie kent deze zeer algemene soort niet. Weinig mensen weten dat deze soort ook voorkomt in Noord-Amerika. Wanneer we het hebben over duidelijke geografisch gescheiden populaties, dan is deze toch evident. De vraag is: Noemen we deze plant (of soort) dan anders? Nee! Want, ze hebben bijzonder veel gelijkenissen. En zo zijn er meer voorbeelden, Neottia cordata, Neottia ovata, Liparis loeselii, Goodyera repens, Calypso bulbosus, Corallorhiza trifida, Planathera hyperborea, Dactylorhiza majalis, Coeloglossum viride, Pseudorchis albida, Hammarbya (Malaxis) paludosa, Spiranthes romanzoffiana etc. De vraag is waarom dan we dat doen wel voor iedere 'poep of scheet' bij onze Europese orchideeën. Opmerkelijk hierbij is dat (nagenoeg) alle taxonomische en systematische oplossingen omtrent naamgeving bij Europese orchideeën enkel rekening houdt met Europa. En dus voor het gemak de rest vergeet. Vergelijk het maar met het kijken door een telescoop. Je kijkt naar iets aan de horizon. Je ziet enorm veel detail, maar vergeet het bredere perspectief en bent blind voor wat er om je heen gebeurd. De vraag is hoeveel naamgeving nu werkelijk waard is wanneer men bedenkt dat we met een telescoop inzoomen op het mediterrane basin, een enorme variatie vaststellen, dit consequent toepassen op naamgeving, maar dit vervolgens op andere gebieden verzaken. Dat naamgeving arbitrair was dat is een feit, maar zo....?
Nu snap ik best dat we dan aanbelandt zijn op het alom en oude verhaal 'Lumper v.s. Splitter'. Dat is niet erg, graag nodig ik iedereen dan ook uit om mee te discussiëren
M.v.gr. Mark
Wat mij altijd opvalt is dat er alleen gekeken wordt naar de verschillen. Een redenatie waar bij men snel fouten maakt in mijn opinie. Het principe wat hierin wordt toegepast is differentiatie. Oftewel het onderscheiden van een entiteit t.o.v. een homogeen geheel. De vraag is? Is er wel een homogeen geheel? En wat is een homogeen geheel? Om zelf antwoord te geven, een genus is valt m.i. onder een relatief homogeen geheel. Wanneer je kijkt naar de overeenkomsten tussen verschillende Dactylorhiza-taxa dan is het overduidelijk dat ze allen behoorlijk homogeen zijn. D.w.z. vingervormige wortelknol, bractee-achtige stengelbladen, life-history-traits, etc. Wanneer je dan naar Coeloglossum kijkt dan is lijkt deze morfologisch niet eens te verschillen van het genus Dactylorhiza (ja ik weet dat er andere inzichten zijn alsmede wetenschappelijk artikel zoals Bateman en Devos etc.).
Hoe homogeen zijn soorten? Wanneer je differentiërende kenmerken laat varen, en enkel kijkt naar kenmerkende eigenschappen welke taxa blijven er over? Probeer het eens uit, beschrijf een taxon als D. incarnata en vermijdt kenmerken als groter dan..., bredere bladen als...kortom gewoon feitelijk opschrijven wat je ziet. Bekijk vervolgens of deze beschrijvingen op elkaar lijken. Je zult zien dat de taxa gewoon stand houden.
Wanneer je vervolgens een stapje lager gaat (ondersoortniveau - variëteit) en hetzelfde toepast wordt het lastiger. Vergelijk populaties met 'witte' D. pulchella's uit New Forest eens met D. majalis (sphagnicola) subsp. calcifugensis, en zie de gelijkenis. Pas het vooraal eens toe op alle fuciflora of holoserica ondersoorten en zie de gelijkenissen. In hoeverre lijkt Ophrys (tenthredinifera subsp.) vilosa dan ineens op O. tenthredinifera? En O. (tenthredinifera subp.) aprilia op beiden? Binnen de groep van het voorbeeld zijn er nog veel meer. O. grandiflora, O ficalhoana etc. Gelijkenissen als Neotinea ustulata en Neotinea tridentata, N. lactea, N. maculata zijn dan ineens evident
Ik hoor nu de stemmen al: ja maar.......evolutie, andere bestuiver(s), duidelijk gescheiden populatie(s). Vooral het laatste argument wordt vaak gebruikt, én als legitiem beschouwd.
Ander voorbeeld. Epipactis helleborine, wie kent deze zeer algemene soort niet. Weinig mensen weten dat deze soort ook voorkomt in Noord-Amerika. Wanneer we het hebben over duidelijke geografisch gescheiden populaties, dan is deze toch evident. De vraag is: Noemen we deze plant (of soort) dan anders? Nee! Want, ze hebben bijzonder veel gelijkenissen. En zo zijn er meer voorbeelden, Neottia cordata, Neottia ovata, Liparis loeselii, Goodyera repens, Calypso bulbosus, Corallorhiza trifida, Planathera hyperborea, Dactylorhiza majalis, Coeloglossum viride, Pseudorchis albida, Hammarbya (Malaxis) paludosa, Spiranthes romanzoffiana etc. De vraag is waarom dan we dat doen wel voor iedere 'poep of scheet' bij onze Europese orchideeën. Opmerkelijk hierbij is dat (nagenoeg) alle taxonomische en systematische oplossingen omtrent naamgeving bij Europese orchideeën enkel rekening houdt met Europa. En dus voor het gemak de rest vergeet. Vergelijk het maar met het kijken door een telescoop. Je kijkt naar iets aan de horizon. Je ziet enorm veel detail, maar vergeet het bredere perspectief en bent blind voor wat er om je heen gebeurd. De vraag is hoeveel naamgeving nu werkelijk waard is wanneer men bedenkt dat we met een telescoop inzoomen op het mediterrane basin, een enorme variatie vaststellen, dit consequent toepassen op naamgeving, maar dit vervolgens op andere gebieden verzaken. Dat naamgeving arbitrair was dat is een feit, maar zo....?
Nu snap ik best dat we dan aanbelandt zijn op het alom en oude verhaal 'Lumper v.s. Splitter'. Dat is niet erg, graag nodig ik iedereen dan ook uit om mee te discussiëren
M.v.gr. Mark